Christelijk Leven
Laten wij tot het soort behoren dat geloof heeft
Indien u zich Christen noemt kan u dan ook zeggen zoals de apostel Paulus zei: “„Wij behoren. . . tot het soort dat geloof heeft, wat tot het in het leven behouden van de ziel leidt.” (Hebreeën 10:39).
Neem er eens even de
tijd voor te kijken naar degenen die zich om u heen bevinden. Denk eens aan de
vele manieren waarop zij blijk geven van geloof. Misschien ziet u ouderen die
God reeds decennia dienen, jongeren die dagelijks de druk van leeftijdgenoten
weerstaan en ouders die hun best doen om godvrezende kinderen groot te brengen.
Velen rondom u
noemen zich misschien Christen, maar als u eens naar hun daden of houding kijkt
krijgt men een heel andere indruk. Bij velen kan men stellen dat God ver af is.
Terecht kan men er vragen bij stellen hoe kostbaar het geloof van ieder van hen
is! (1 Petrus 1:7) [1].
Door weinig
onvolmaakte mensen, en misschien door niemand, is de belangrijkheid van geloof
beter begrepen dan door de apostel Paulus. Ja, hij merkte op dat echt geloof
tot „het in het leven behouden van de ziel” leidt (Hebreeën 10:39) [2].
Maar Paulus wist dat geloof in deze ongelovige wereld aan aanvallen en
uitholling blootstaat. Hij was intens bezorgd om de Hebreeuwse christenen in
Jeruzalem en Judea, die strijd voerden om hun geloof te behouden
Breng vertrouwen in elkaar tot uitdrukking
Paulus had een
positieve houding ten aanzien van zijn lezerspubliek. Hij schreef: „Welnu, wij
behoren niet tot het soort dat terugdeinst, wat tot vernietiging leidt, maar
tot het soort dat geloof heeft, wat tot het in het leven behouden van de ziel
leidt” (Hebreeën 10:39).Ook vandaag nog zouden diegenen die zich Christen
noemen een voortreffelijke houding moeten aannemen en hun geloof ten toon
spreiden zo dat anderen in deze wereld zouden zien wat het betekend een ware
Christen te zijn. Paulus bracht uit het hart komend vertrouwen tot uitdrukking
dat hij en zijn getrouwe christelijke lezers allemaal de formidabele
hindernissen die voor hen opdoemden onder ogen zouden zien, dat zij moedig
zouden weigeren terug te deinzen, wat tot vernietiging leidt, en dat zij tot
het soort mensen zouden blijken te behoren dat geloof heeft.
Paulus gaf de
Hebreeuwse christenen specifieke raad om hen te helpen hun geestelijke tekortkomingen
te overwinnen (Hebreeën 3:12; 5:12-14; 6:4-6; 10:26, 27; 12:5). Toch had Paulus
ten minste twee goede redenen om vertrouwen te hebben in zijn broeders en
zusters. (1) Als een navolger van Jehovah trachtte Paulus Gods dienstknechten
te bezien zoals Jehovah hen beziet. Daarbij dacht hij niet alleen aan hun
fouten maar ook aan hun goede hoedanigheden en hun vermogen om het te verkiezen
in de toekomst goed te doen (Psalm 130:3; Efeziërs 5:1). (2) Paulus had een
onvoorwaardelijk geloof in de kracht van de heilige geest. Hij wist dat geen
hindernissen, geen menselijke zwakheden, Jehovah zouden kunnen beletten om elke
christen die tracht Hem getrouw te dienen „kracht [te verlenen] die datgene wat
normaal is te boven gaat” (2 Korinthiërs 4:7; Filippenzen 4:13). Dus was
Paulus’ vertrouwen in zijn broeders en zusters niet misplaatst, onrealistisch
of gestoeld op blind optimisme. Het was stevig gefundeerd en op de Schrift
gebaseerd.
Het vertrouwen dat
Paulus aan de dag legde, bleek beslist aanstekelijk te zijn. Het moet heel wat
voor de gemeenten in Jeruzalem en Judea hebben betekend dat Paulus zo
aanmoedigend tot hen sprak. In weerwil van de vernietigende verachting en
hooghartige onverschilligheid van hun joodse tegenstanders werden de Hebreeuwse
christenen door zulke bewoordingen geholpen in hun hart te besluiten tot het
soort te behoren dat geloof heeft. Kunnen wij in deze tijd hetzelfde voor
elkaar doen? Het is maar al te gemakkelijk in anderen alleen een lange lijst
van fouten en eigenaardigheden te zien (Mattheüs 7:1-5) [3].
Toch kunnen wij elkaar veel meer bijstaan als wij het unieke geloof dat een
ieder bezit, opmerken en waarderen. Met zo’n aanmoediging zal geloof
hoogstwaarschijnlijk groeien. (Romeinen 1:11, 12) [4].
Een passend gebruik van Gods Woord
Paulus bouwde ook
geloof in zijn medegelovigen op door zijn vaardig gebruik van de Schrift. Zo
schreef hij: „’Maar mijn rechtvaardige zal wegens geloof leven’ en ’indien hij
terugdeinst, heeft mijn ziel geen behagen in hem’” (Hebreeën 10:38). Paulus
haalde hier de profeet Habakuk aan. Deze woorden waren waarschijnlijk bekend
bij Paulus’ lezers, Hebreeuwse christenen, die de profetische boeken heel goed
kenden. Wanneer wij beschouwen welk doel hij voor ogen had — het geloof van
christenen die zich omstreeks het jaar 61 G.T. in en nabij Jeruzalem bevonden
te versterken — was het voorbeeld van Habakuk passend gekozen.
Habakuk wist niet
hoe nabij de verwoesting van Jeruzalem was. Insgelijks wisten de eerste-eeuwse
christenen niet wanneer het joodse samenstel van dingen zou eindigen. Ook thans
weten wij niet ’dag en uur’ waarop Jehovah’s oordeel over dit goddeloze
samenstel zal komen (Mattheüs 24:36). Laten wij dus Jehovah’s tweevoudige
antwoord aan Habakuk beschouwen. Ten eerste verzekerde hij de profeet dat het
einde precies op tijd zou komen. „Het zal niet te laat komen”, zei God, ook al
zou het van menselijk standpunt uit bezien ogenschijnlijk op zich laten wachten
(Habakuk 2:3). Ten tweede herinnerde Jehovah Habakuk aan het volgende: „Wat de
rechtvaardige betreft, door zijn getrouwheid zal hij blijven leven” (Habakuk
2:4). Wat een schitterende, eenvoudige waarheden! Het belangrijkste is niet
wanneer het einde komt, maar of wij een leven van geloof blijven leiden. En dat
wij steeds bereid en klaar zullen zijn om Gods Koninkrijk binnen te treden.
Toen Jeruzalem in
607 v.G.T. werd geplunderd, zagen Jeremia, zijn secretaris Baruch, Ebed-Melech
en de loyale Rechabieten de waarheid van Jehovah’s belofte aan Habakuk. Zij
’bleven leven’ door aan de verschrikkelijke verwoesting van Jeruzalem te
ontkomen. Waarom? Jehovah beloonde hun getrouwheid (Jeremia 35:1-19; 39:15-18;
43:4-7; 45:1-5). Insgelijks moeten de eerste-eeuwse Hebreeuwse christenen goed
op Paulus’ raad hebben gereageerd, want toen de Romeinse legers in 66 G.T. Jeruzalem
aanvielen en vervolgens om onverklaarbare reden wegtrokken, sloegen die
christenen getrouw acht op Jezus’ waarschuwing om te vluchten (Lukas 21:20,
21). Zij bleven wegens hun getrouwheid leven. Evenzo zullen wij blijven leven
als wij getrouw worden bevonden wanneer het einde komt. Wat een uiterst
belangrijke reden om nu ons geloof te versterken!
Voorbeelden van geloof tot leven brengen
Paulus bouwde ook
geloof op door een krachtig gebruik van voorbeelden te maken. Als u Hebreeën
hoofdstuk 11, het hoofdstuk over Geloof, leest, merk dan op hoe hij de
voorbeelden van bijbelse figuren tot leven brengt. Hij zegt bijvoorbeeld dat
Mozes „standvastig [bleef] als zag hij de Onzichtbare”
(Hebreeën 11:27) [5]. Met andere
woorden, Jehovah was zo reëel voor Mozes dat het was alsof hij de onzichtbare
God kon zien. Zou hetzelfde van ons gezegd kunnen worden? Het is gemakkelijk om
over een band met Jehovah te spreken, maar die band op te bouwen en te
versterken, betekent werk. Dit is werk dat wij moeten doen! Is Jehovah zo reëel
voor ons dat wij hem in aanmerking nemen wanneer wij beslissingen nemen,
waartoe ook schijnbaar minder belangrijke beslissingen behoren? Dat soort
geloof zal ons helpen zelfs de ergste tegenstand te verduren.
Beschouw ook eens
het geloof van Henoch. Wij kunnen ons moeilijk de tegenstand indenken waarmee
hij werd geconfronteerd. Henoch moest een pijnlijke oordeelsboodschap tegen de
goddeloze mensen in die tijd bekendmaken (Judas 14, 15). De vervolging die deze
getrouwe man bedreigde, was kennelijk zo boosaardig, zo gewelddadig, dat
Jehovah ’hem overbracht’ door hem van de toestand van leven naar de doodsslaap
te brengen voordat de vijanden de hand aan hem konden slaan. Henoch kreeg
derhalve niet de vervulling te zien van de door hem geuite profetie. Maar hij
kreeg een geschenk dat in sommige opzichten zelfs beter was. (Hebreeën 11:5;
Genesis 5:22-24) [6].
Paulus legt uit:
„Vóór zijn overbrenging had [Henoch] het getuigenis dat hij God welgevallig was
geweest” (Hebreeën 11:5). Wat betekende dit? Voordat Henoch de doodsslaap
inging, kan hij het een of andere visioen hebben gehad, misschien van het
aardse paradijs waarin hij weldra zal ontwaken. In elk geval liet Jehovah
Henoch weten dat Hij zeer ingenomen was met zijn getrouwe handelwijze. Henoch
had Jehovah’s hart verheugd. (Vergelijk Spreuken 27:11.) [7]
Over Henochs leven nadenken, is ontroerend, nietwaar? Zou u graag zo’n leven
van geloof leiden? Denk dan over zulke voorbeelden na; zie hen als echte
mensen. Wees vastbesloten door geloof te leven, dag in dag uit. Houd ook in
gedachte dat het soort mensen dat geloof heeft Jehovah niet dient op basis van
een datum waarop of tijdslimiet waarin God al zijn beloften gestand zal doen.
Wij zijn veeleer vastbesloten Jehovah voor eeuwig te dienen! Aldus volgen wij de
allerbeste levenswijze in dit samenstel van dingen en in het volgende. Of het
nu vandaag, morgen, overmorgen of veel later in de tijd is dat Armaggadon of
het Einde der Tijden zich zal aankondigen, willen wij nu reeds klaar staan om
mee “in de boot” te stappen.
Hoe men sterker in het geloof kan worden
Paulus toonde de
Hebreeuwse christenen een aantal praktische manieren waarop zij hun geloof
zouden kunnen versterken. De apostel Johannes haalt het gebod van God aan dat
ons aan maant in de Zoon van God te geloven en eenieder rondom ons te beminnen.
(1 Johannes
3:23-24 NWV): 23 Ja, dit is zijn gebod, dat wij geloven in de naam van zijn
Zoon Jezus Christus[8] en elkaar
liefhebben, zoals hij ons een gebod gegeven heeft. 24 Bovendien blijft degene
die zijn geboden onderhoudt, in eendracht met hem en hij in eendracht met zo
iemand; en hierdoor komen wij te weten dat hij in eendracht met ons blijft,
dank zij de geest die hij ons heeft gegeven.
Wij moeten dus
eerst en vooral geloven in diegene die Jezus Christus heeft uitgezonden. En dat
is onze Vader, God de Almachtige Schepper van hemel en aarde. Naast dat geloof
in de Allerhoogste moeten wij geloof hechten aan diegene die ondergeschikt is
aan Jehovah, God de almachtige Vader. De Enig Geboren Uitverkoren Zoon van God,
die voor ons te verlossen op de wereld is gekomen. Jezus Christus (of Yeshua)
uit Nazareth die vele wonderen heeft verricht, maar zijn leven heeft gegeven
aan een paal. Zo groot was zijn liefde voor Zijn Vader, dat hij steeds diens
wil deed. En zo veel had hij de mensen lief dat hij voor hen wilde sterven. Ook
van ons verwacht Christus een offergave van liefde voor onze medemensen. [9]
In Jezus opgegeven nieuw gebod geef hij ons: “gij moet elkaar
liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben.
Hieruit zullen allen kunnen opmaken, dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de
liefde onder elkaar bewaart.’” (Joh 13:34-35 WV78) Pas als wij werkelijk de
leer van Christus navolgen en doen wat hij zei dat wij moesten doen kunnen wij
ons waarlijk Christenen noemen en zullen anderen kunnen merken dat wij die
christelijke liefde ook werkelijk volledig in ons hart dragen en voor elkaar
over hebben. Anderen moeten kunnen merken dat wij van harte geloven in de Zoon
van God, Jezus Christus, die dan ook werkelijk iemand anders is dan God zelf,
die ons dit ook vraagt te doen. [10]
God zal ons indien wij ons geloof willen verdiepen ook bijstaan in de
geestelijke rijping, zodat ook wij waardige kinderen van God zouden worden. [11]
Een Christen moet naast te geloven in de éne ware God geloven in diegene die
God op wonderbaarlijke wijze op de wereld heeft gebracht. En “Wie in Hem
gelooft, wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat
hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren zoon van God.” (Joh 3:18
WV78) [12]
Daarnaast moeten wij buiten ons zelf lief te hebben elkaar liefhebben
zoals Hij ons lief had en het ook bevolen heeft. [13]
Alsook moeten wij beseffen hoe belangrijk het Christen zijn met het onderhouden
van de geboden ook is. Want “wie zijn geboden onderhoudt blijft in God, en God
blijft in hem. En dat Hij in ons woont weten we door de Geest die Hij ons
gegeven heeft.” (1Jo 3:23-24 WV78)
Wij kunnen niet passief blijven in ons leven. De Christen moet geloven
en daarnaar reageren. Als onze geloofspunten goed onderbouwd zijn met Bijbelse
kennis en ons vertrouwen door die Heilige Schrift stevig wordt gemaakt kunnen
wij ook in ons geloof verder groeien. Maar wij zullen eerst en vooral er sterk
van overtuigd moeten zijn dat er slechts één God is en dat Jezus zijn zoon is
(Johannes 5:19-23) [14]
Verder moeten wij geloven dat die zoon van Jozef en Maria ter wereld
was gekomen om de mensen van hun fouten te zuiveren en zo zondaars te redden.
(1Thimotheus 1:15) [15]
Wij moeten onze dankbaarheid betonen voor het Pleng- of Zoenoffer dat Christus
Jezus heeft gebracht. Ons geloof moet gebaseerd zijn op Jezus zijn afkomst,
zijn doel en zijn volbrenging, met het besef dat hij werkelijk geleden heeft,
gestorven is en op de derde dag verrezen is uit de dood, en opgestaan is om
naar zijn Vader te gaan om later weer te komen om te oordelen levenden en
doden. (Handelingen 2:29-32; 1:11; Johannes 6:39-40; Handelingen 17: 30-31) · [16]
Met die zekerheid moeten wij leven en er naar handelen in de hoop dat
wij ook deelgenoten zullen kunnen zijn van het Koninkrijk van God waar wij
eeuwig zullen kunnen verblijven. (Apocalyps 2:10; Lukas 1:32) [17]
Alsook moeten deze geloofspunten ons tot het besef brengen dat wij spijt moeten
getuigen van onze vroegere fouten en dat wij moeten proberen het rechte pad op
te gaan.
Voor heel het huis van Israël moet dus onomstotelijk vaststaan, dat
Jehovah God Jezus (Yeshua) de grote Leraar en Heer en Christus heeft gemaakt.
Met deze kennis moeten wij ons bekeren en ieder van ons die de geloofspunten
van een Christen wil aannemen “late zich dopen in de naam van Jezus Christus
tot vergeving van uw zonden. Dan zult gij als gave de heilige Geest ontvangen.”
(Hnd 2:36-38 WV78)
Het Appel voor de Christen
Vandaag blijft dat appel gelden en wordt het nog steeds hernieuwd voor
diegenen die Christus willen volgen. Zij die in de voetsporen van Christus
willen stappen beseffen dat zonder geloof in Jezus Christus de Messias zullen
verloren gaan in de wereld en zullen verdwijnen. Maar gelovend in Christus zijn
positie en door volledige gehoorzaamheid aan God kunnen wij vergiffenis van
onze zonden krijgen en het eeuwig leven verdienen.
Naast ons wereldse leven moeten wij voldoende aandacht schenken aan ons
geestelijk leven, dat eigenlijk het bijzonderste hoort te worden. Dit
geestelijke en innerlijke leven kan versterkt worden door regelmatige
bijbelstudie. Deze studie van de Heilige Schrift hoort niet enkel op ons eigen
in eigen huis te gebeuren. Neen wij moeten er ook durven mee naar buiten te
komen.
In (Hebreeën
10:23-25) schrijft Paulus: “24 En laten wij op elkaar letten ten
einde tot liefde en voortreffelijke werken aan te sporen, 25 het
onderling vergaderen niet nalatend, zoals voor sommigen gebruikelijk is, maar
laten wij elkaar aanmoedigen, en dat te meer naarmate GIJ de dag ziet naderen.”
Wij worden
aangemoedigd geregeld op onze christelijke vergaderingen bijeen te komen.
Bedenk echter dat Paulus’ geïnspireerde woorden daar niet inhouden dat wij op
zulke vergaderingen alleen maar passieve waarnemers zijn. In plaats daarvan
beschrijft Paulus vergaderingen als gelegenheden om elkaar te leren kennen,
elkaar ertoe aan te sporen God vollediger te dienen en elkaar aan te moedigen.
Wij zijn daar om te geven, niet slechts om te ontvangen. Dit vormt een hulp om onze
vergaderingen tot vreugdevolle gelegenheden te maken.(Handelingen 20:35) [18].
Hoofdzakelijk
bezoeken wij christelijke vergaderingen om Jehovah God te aanbidden. Wij doen
dit door ons te verenigen in gebed en samen te zingen, door aandachtig te
luisteren en door „de vrucht der lippen” — uitingen van lof aan Jehovah in onze
commentaren en onderdelen op de vergadering — te offeren (Hebreeën 13:15) [19].
Als wij die doeleinden in gedachte houden en er op iedere vergadering naar
handelen, zal ons geloof elke keer zonder mankeren worden opgebouwd.
Nog een manier om
geloof op te bouwen, is door middel van het predikingswerk. Paulus schreef:
„Laten wij zonder wankelen vasthouden aan de openbare bekendmaking van onze
hoop, want hij die beloofd heeft, is getrouw” (Hebreeën 10:23) [20].
U kunt anderen op het hart drukken aan iets vast te houden wanneer het ernaar
uitziet dat zij het opgeven. Satan zette die Hebreeuwse christenen beslist
onder druk om hun bediening op te geven, en hij zet Gods volk in deze tijd ook
onder druk. Wat dienen wij in weerwil van zo’n druk te doen? Beschouw eens wat
Paulus deed.
Aan de christenen
in Thessalonika schreef Paulus: „Wij [hebben], na eerst (zoals gij weet) in
Filippi geleden te hebben en onbeschaamd behandeld te zijn, door bemiddeling van
onze God vrijmoedigheid. . . verzameld om onder veel strijd het goede nieuws
van God tot u te spreken” (1 Thessalonicenzen 2:2) [21].
Hoe waren Paulus en zijn metgezellen in Filippi „onbeschaamd behandeld”?
Volgens sommige geleerden is het door Paulus gebruikte Griekse woord een
uitdrukking van beledigende, schandelijke of schaamteloze behandeling. De
autoriteiten in Filippi lieten hun stokslagen geven, wierpen hen in de
gevangenis en sloten hen in het blok (Handelingen 16:16-24) [22].
Welke uitwerking had die pijnlijke ervaring op Paulus? Zagen de inwoners van de
volgende stad, Thessalonika, die Paulus op zijn zendingsreis aandeed, dat hij
vol vrees terugdeinsde? Nee, hij ’verzamelde vrijmoedigheid’. Hij overwon zijn
vrees en bleef vrijmoedig prediken.
Waar kwam Paulus’
vrijmoedigheid vandaan? Van binnen uit? Nee, hij zei dat hij „door bemiddeling
van onze God” vrijmoedigheid had verzameld. Een verwijswerk voor
bijbelvertalers zegt dat deze verklaring als volgt weergegeven kan worden: „God
nam de vrees uit ons hart weg.” Als u zich dus niet bijzonder vrijmoedig voelt
ten aanzien van uw bediening, vooral als een bepaald aspect ervan beangstigend
op u overkomt, waarom zou u dan geen beroep doen op Jehovah om hetzelfde voor u
te doen? Vraag hem om de vrees uit uw hart weg te nemen. Vraag hem om u te
helpen vrijmoedigheid voor het werk te verzamelen. Neem bovendien enkele andere
praktische maatregelen. Tref er bijvoorbeeld regelingen voor om te werken met
iemand die vaardig is in de manier van getuigenis geven waar u moeite mee hebt.
Het gaat daarbij misschien om het bewerken van zakengebied, het geven van
straatgetuigenis, de informele prediking of telefoongetuigenis. Misschien zal
uw partner bereid zijn als eerste te beginnen. Zo ja, let dan op en leer. Maar
verzamel vervolgens de vrijmoedigheid om het ook te proberen.
Vooruitzichten en voorwaarden voor ons.
Wanneer u
werkelijk vrijmoedigheid verzamelt, denk er dan aan waartoe dat kan leiden. Als
u doorzet en u niet laat ontmoedigen, zult u door de waarheid met anderen te
delen waarschijnlijk goede ervaringen opdoen, ervaringen die u anders was
misgelopen. U zult de voldoening smaken te weten dat u Jehovah hebt behaagd
door iets te doen wat moeilijk voor u is. U zult zijn zegen en hulp ervaren bij
het overwinnen van uw vrees. Uw geloof zal sterker zijn. U kunt er in
werkelijkheid niet aan werken geloof in anderen op te bouwen zonder terzelfder
tijd uw eigen geloof op te bouwen. (Judas 20, 21) [23].
Steunend op het
geloof waartoe anderen mee in onze scholing hebben bijgedragen kunnen ook wij
op onze beurt dat geloof door geven en het hierdoor in ons nog sterkeer laten
aangroeien. [24]
Blijf uw geloof en
het geloof van degenen om u heen versterken. U kunt dit doen door uzelf en
anderen op te bouwen door een vaardig gebruik te maken van Gods Woord, door in
de bijbel genoemde voorbeelden van geloof te bestuderen en ze tot leven te
brengen, door u op christelijke vergaderingen voor te bereiden en er een
aandeel aan te hebben en door vast te houden aan het kostbare voorrecht van de openbare
bediening. Als u deze dingen doet, wees er dan van verzekerd dat u werkelijk
iemand bent die „tot het soort [behoort] dat geloof heeft”. Bedenk ook dat
degenen die tot dit soort behoren een kostbare beloning hebben. Zij behoren tot
„het soort dat geloof heeft, wat tot het in het leven behouden van de ziel
leidt”. Moge uw geloof blijven groeien, en moge Jehovah God u voor eeuwig in
het leven behouden!
Wie erkent dat hij
met God verzoend moet worden en Gods voorziening tot verzoening — namelijk het
offer van zijn Zoon — aanvaardt, moet vervolgens berouw hebben van zijn zondige
handelwijze en zich bekeren, dat wil zeggen zich afkeren van de weg die de
zondige mensenwereld gaat. Wie zich op basis van Christus’ losprijs tot God
wendt, kan vergeving van zonden verkrijgen en met God verzoend worden, waarop
er „tijden van verkwikking. . . komen van de persoon van Jehovah” (Han 3:18,
19) [25]
en hij tevens vrede van geest en hart ontvangt (Fil 4:6, 7) [26].
“Petrus gaf hun ten antwoord: ‘Bekeert u en ieder van u late zich dopen
in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden. Dan zult gij als
gave de heilige Geest ontvangen.” (Hnd 2:38 WV78) Aldus maakt de doop een
belangrijk onderdeel van het geloof uit. Uiteindelijk is dat het belangrijkste
Keerpunt in ons leven. Door volledige onderdompeling in water is het als een
teken aan God en aan onze mede mensen van zuivering en witwassing die wij
willen genieten en als teken van overgave aan God. Met deze handeling waarbij
onze zonden worden “witgewassen” engageren wij ons in een nieuw leven voor
Christus Jezus. [27]
Zo iemand is niet langer een vijand op wie Gods gramschap rust, maar is
in werkelijkheid „uit de dood tot het leven overgegaan” (Jo 3:16; 5:24) [28].
Daarna moet hij Gods goede wil behouden door ’hem aan te roepen in
waarachtigheid’ en ’te blijven in het geloof en zich niet af te laten brengen
van de hoop van het goede nieuws’. (Ps 145:18; Fil 4:9; Kol 1:22, 23) [29].
Zij die zich Christen noemen moeten als broers en zusters
van elkaar liefdevol met elkaar omgaan.
Als christelijke
broeders en zusters moeten wij trachten Jezus’ voorbeeld van liefde na te
volgen (Johannes 13:35; 15:12, 13; Galaten 6:2). Christenen over heel de wereld
hebben er lange tijd hun best voor gedaan en doen nog steeds hun best om
denkwijzen, spraak en gedragingen die gewoon zijn in deze goddeloze wereld, te
laten varen. Zij willen werkelijk de nieuwe persoonlijkheid uitstralen
(Kolossenzen 3:9, 10) [30].
Het liegen trachten Christenen voor hen tot het verleden te laten
horen. Zij schamen zich niet voor elkaar de waarheid te vertellen, want zij
horen bij elkaar en zijn delen van hetzelfde lichaam. (Efe 4:25) [31]
Als Christenen hebben wij de leugen af gelegd en spreken wij de
waarheid tot onze naaste, ieder voor zich, maar wij moeten beseffen dat wij zo
wel als de ander toch nog onze zwakke ogenblikken zullen hebben vooraleer het
Einde der tijden daar een einde aan maakt. Wij kunnen niet aan het feit
voorbijgaan dat de wereldomvattende gemeente en elke plaatselijke gemeente uit
onvolmaakte mensen bestaat. Over het algemeen zijn zij beslist beter dan zij
vroeger waren maar desondanks zijn zij nog steeds onvolmaakt.
Ook al kunnen wij als ledematen van elkander zijn, kunnen wij nog
geconfronteerd worden met onrustige Christenen en zelfs met mensen die hun
geduld verliezen of wel eens kwaad worden. Wordt gij toornig, zondigt dan niet;
de zon ga niet onder over uw toorn; geeft geen vrij spel aan de duivel of het
kwaad dat steeds ronddwaalt in deze wereld.
Christenen blijven eerlijk en zetten zich er toe aan ook enkel op eerlijke
wijze hun kost te verdienen. Met eigen hand verdienen zij de kost enkel met
dingen die in overeenstemming zijn met Gods wil. Zo zullen zij zeker niet
werken in bedrijven die dingen produceren die tegen de mensheid zijn (zoals wapens
bijvoorbeeld) of die de natuur schade toe brengen. Zij gaan niet egocentrisch
te werk en leggen het egoïsme naast zich neer. Met de verdienste van hun
wereldse werk gaan zij toch nog proberen iets over te houden om het weg te
schenken aan wie er behoefte aan heeft.
Uit hun mond komt geen vuile taal, maar goede woorden alleen, die zo nodig
stichten kunnen, zodat ze voordeel brengen aan hen die ze horen. Christenen
letten op hun woorden en daden en gaan er voor zorgen dat zij Gods heilige
Geest niet bedroeven. Zij hebben de hoop gesteld dat hun handelingen er voor
zullen toe bijdragen dat zij verzegeld mogen zijn voor de Dag der Verlossing.
Verre van hen doen zij alle bitterheid, gramschap, toorn, geschreeuw, laster en
alle andere boosheid. Maar steeds trachten zij minzaam en hartelijk jegens
elkander te zijn en houden zij zich er aan elkander te vergeven, gelijk ook God
ons door Christus vergiffenis heeft geschonken. [32]
In de bijbel
vertelt God ons doelbewust dat wij onvolmaaktheid in de gemeente, onder onze
broeders en zusters, kunnen verwachten. Beschouw bijvoorbeeld Paulus’ woorden
in Kolossenzen 3:13 eens: „Blijft elkaar verdragen en elkaar vrijelijk vergeven
als de een tegen de ander een reden tot klagen heeft. Zoals Jehovah u vrijelijk
vergeven heeft, doet ook gij evenzo.”
Opmerkelijk is dat
de bijbel ons hier herinnert aan het verband dat er bestaat tussen Gods
vergevensgezinde houding jegens ons en onze plicht en de noodzaak om
vergevensgezind jegens anderen te zijn. Waarom is dit een uitdaging? Omdat Paulus
toegaf dat iemand „tegen de ander een reden tot klagen” kan hebben. Hij was
zich ervan bewust dat zulke gevallen zich zouden voordoen. Ze moeten zich in de
eerste eeuw hebben voorgedaan, zelfs onder christelijke „heiligen”, die een
’hoop hadden die voor hen in de hemelen was weggelegd’ (Kolossenzen 1:2, 5) [33].
Het is dan toch ondenkbaar dat het in deze tijd anders zou zijn, nu de meeste
ware christenen niet over het getuigenis van de geest beschikken dat zij „Gods
uitverkorenen, heilig en bemind” zijn? (Kolossenzen 3:12) [34]
Bijgevolg dienen wij niet de conclusie te trekken dat er iets totaal mis is als
er in onze gemeente redenen tot klagen zijn — gekrenkte gevoelens wegens
werkelijk of vermeend onrecht.
Uit de woorden van
Jezus’ halfbroer Jakobus blijkt ook dat wij moeten verwachten dat wij op zijn
minst soms geconfronteerd kunnen worden met situaties die het nodig maken dat
wij onze broeders en zusters vergeven. „Wie is wijs en verstandig onder u? Hij
tone uit zijn voortreffelijke gedrag zijn werken met een zachtaardigheid die
bij wijsheid behoort. Maar indien gij bittere jaloezie en twistgierigheid in uw
hart hebt, snoeft en liegt niet tegen de waarheid” (Jakobus 3:13, 14). „Bittere
jaloezie en twistgierigheid” in het hart van ware christenen? Ja, Jakobus’
woorden geven duidelijk te kennen dat zoiets in de eerste-eeuwse gemeente de
kop had opgestoken en dat dit ook in deze tijd het geval zal zijn.
Hartetoestand.
De toestand van
ons figuurlijke hart wordt weerspiegeld in onze innerlijke houding,
onze instelling, of die trots is of nederig (Sp 16:5; Mt 11:29).
Onze gevoelens en emoties zijn eveneens een deel van die
innerlijke mens. Daartoe behoren liefde (De 6:5; 1Pe 1:22), vreugde (De 28:47;
Jo 16:22), smart, droefheid (Ne 2:2; Ro 9:2) en haat (Le 19:17). Het hart kan
dus „angstig” (Jes 35:4) en door ellende „doorboord” zijn (Ps 109:22), alsook
„versmelten” wegens vrees (De 20:8). Wanneer in de christelijke Griekse
Geschriften het verstand en het hart samen worden genoemd, heeft „verstand”
betrekking op het intellect, terwijl met „hart” gedoeld wordt op de emoties,
verlangens en gevoelens van de innerlijke persoon. Jezus zei bijvoorbeeld: „Gij
moet Jehovah, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en
met geheel uw verstand” (Mt 22:37). Aldus toonde hij dat iemands verlangens,
gevoelens en emoties een uitdrukking moeten zijn van zijn liefde voor God, maar
dat hij deze liefde ook tot uitdrukking moet brengen door de wijze waarop hij
zijn geestelijke vermogens gebruikt, bijvoorbeeld door kennis van God en
Christus in zich op te nemen.( Jo 17:3).
Al zulke functies,
vermogens, emoties en hoedanigheden worden niet toegeschreven aan het
letterlijke orgaan, maar aan het figuurlijke hart, dat staat voor de gehele
innerlijke persoonlijkheid.
Niet gelovige tegenover gelovige.
God zendt zijn christelijke gezanten tot de mensen om hen in staat te stellen zijn voorwaarden voor een verzoening te leren kennen en daar vervolgens aan te voldoen. Zoals de apostel schrijft: „Wij zijn daarom gezanten die optreden in de plaats van Christus, alsof God door ons een dringend verzoek deed. Als plaatsvervangers van Christus smeken wij: ’Wordt met God verzoend’” (2Kor 5:20) [35]. Zo’n dringend verzoek duidt niet op enige verzwakking van Gods positie of van een soepeler houding jegens kwaaddoen; het is veeleer een barmhartige aansporing gericht tot de overtreders om vrede te zoeken en te ontkomen aan het onvermijdbare gevolg van Gods gerechtvaardigde toorn jegens allen die erin volharden tegen zijn heilige wil in te gaan, wat beslist op vernietiging zal uitlopen. (Vgl. Ez 33:11.) [36] Zelfs christenen moeten oppassen „de onverdiende goedheid van God niet te aanvaarden en dan het doel ervan te missen” door niet goed aan de, door God, gestelde voorwaarden te houden.
Wij moeten ons weldegelijk ook aan de Christelijke werken houden, want geloof zonder werken of daden is dood. (Jakobus 2:17) [37] “Want in Christus Jezus heeft besnijdenis noch onbesnedenheid enig belang, maar alleen geloof zich uitend in liefde,” (Ga 5:6 WV78) Wij zijn gewaarschuwd: “Broeders, wat baat het een mens te beweren dat hij geloof heeft, als hij geen daden kan laten zien? Kan zo’n geloof hem soms redden.” (Jak 2:14 WV78)
“Gij gelooft dat er slechts een God is? Uitstekend; ook de boze geesten geloven dat, en sidderen!” (Jak 2:19 WV78) Wat zou dat dan zo verschillend maken van diegenen die dat ook doen of ook goede werken verrichten? “Zoals het lichaam dood is zonder de ziel, zo is het geloof dood zonder de daad.” (Jak 2:26 WV78)
“Span daarom al uw krachten in om uw geloof te verrijken met deugdzaamheid, uw deugdzaamheid met kennis, uw kennis met zelfbeheersing, uw zelfbeheersing met volharding, uw volharding met vroomheid, uw vroomheid met liefde voor uw broeders en zusters, en uw liefde voor uw broeders en zusters met liefde voor allen. Als u deze eigenschappen in overvloed bezit, is uw kennis van onze Heer Jezus Christus niet nutteloos maar vruchtbaar. Wie ze niet bezit is kortzichtig, ja blind, en vergeet dat hij van zijn vroegere zonden gereinigd is.” (2Pe 1:5-9 NBV)
“Laten we dus, zolang we tijd hebben, goed doen aan allen, maar vooral aan onze geloofsgenoten.” (Ga 6:10 WV78)
Christus is getrouw als zoon, aangesteld over het huis van God. En dat huis zijn wijzelf, als wij tenminste ons vertrouwen en de hoop die onze trots is ongeschokt bewaren tot het einde.” (Heb 3:6) [38] er moet een duidelijk verschil zijn tussen goed doende christenen en mensen die ook veel goed doen. [39]
Als Christen komt het er op aan de leerstellingen van Christus in zijn geheel op te nemen en na te volgen. Als kleine kinderen moeten wij de beloften van God geloven en moeten wij er ons toe aan zetten de menselijke stemmen meester te zijn en de Goddelijke stem voorop te stellen. Laat uw hart als een klein kind snakkend naar een ijslolly vol zijn van Christus’ woord. Zijn woorden zullen uw leven verrijken en u wijsheid geven. Leer ze aan elkaar, wijs elkaar ermee terecht en zing erover in psalmen, lofgezangen en geestelijke liederen. Zing zo met een dankbaar hart voor de Heer. (Col 3:1; 15-17) [40]
“Zo ontstaat dan het geloof door de prediking, en de prediking geschiedt in opdracht van Christus.” (Ro 10:17 WV78)
“Hem verkondigen wij, wanneer wij allen zonder onderscheid vermanen en onderrichten met alle wijsheid die ons gegeven is, om ook allen zonder onderscheid in Christus tot volmaaktheid te brengen.” (Col 1:28 WV78) Constant moeten wij Gods Wil opzoeken in de Heilige Schrift en moeten wij bidden tot Hem, en Zijn woorden diep in ons hart koesteren. Zo bevlogen door het Woord van God moeten wij er ook vreugde in scheppen om het uit te dragen. Een Christen hoort elkander toe te spreken in psalmen en hymnen en liederen, ingegeven door de Geest. Zingt en speelt voor de Heer van ganser harte.” (Efe 5:19 WV78) [41]
Indien wij goed zijn, vergevingsgezind en van een zuiver hart de vrede zoekend voor allen, hongerend en dorstend naar rechtvaardigheid zullen wij gezegend kunnen zijn. Dan zullen wij als het zout der aarde mogen zijn. “Maar als het zout zijn kracht verliest, waar mee zal men dan zouten? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden. Gij zijt het licht der wereld. Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt!” (Mt 5:13-14 WV78) [42] “Het is dus zaak te bidden met mijn geest maar ook met mijn verstand, Gods lof te zingen met mijn geest maar ook met mijn verstand.” (1Co 14:15 WV78) En steeds doordacht de dingen te doen met erkentelijkheid naar God toe. Zelfs zodanig moeten wij onze daden stellen dat zij tot algemene opbouw kan dienen en er toe bijdraagt dat het geloof en de houding ertoe niet aan kracht verliest.(1Korinthiërs 14:26; Lukas 14:34) [43]
Daarom is het belangrijk ons geloof te delen met die anderen die naar ons willen luisteren. Maar ook moeten wij het trachten over te dragen naar diegenen die ons niet willen hebben of naar onze vijanden. Al diegenen die ons beledigen moeten wij ook de hand toe reiken en vergeven. Maar wij moeten er op toe zien dat wij disputen trachten te vermijden en niet in gevaarlijke discussies belanden.
Zoals Jezus moeten wij naar hoge ethische en morele maatstaven leven. Dagelijks zullen wij er moeten op toe zien te leven volgens Gods wil en niet volgens de voorkeuren van deze wereld. Op elk ogenblik zullen wij eerst het Koninkrijk van God moeten zoeken en das pas aan deze wereld denken. (Mattheus 6:33) [44] “Oefening van het lichaam heeft beperkte waarde, maar de voordelen van de godsvrucht zijn onbeperkt, want zij houdt beloften in zowel voor dit leven als het toekomstige.” (1Ti 4:8 WV78)
Het is door ons naar het Woord van God te gedragen en voorbeeldig te zijn dat wij veel vrucht zullen kunnen dragen, en zullen kunnen bewijzen Jezus discipelen te zijn, waardoor zijn en onze hemelse Vader verder zal worden grootgemaakt in deze wereld. (Joh 15:8) [45]
Ziedaar onze hoog verheven idealen welke elke Christen zou moeten betrachten. Wij mogen Jehovah onze God dankbaar zijn dat hij ons nu reeds vele zegeningen wil laten geworden, want wij zijn alles behalve perfect. Wij mogen dankbaar zijn dat als wij verkeerd gaan of zondigen onze bemiddelaar Jezus (Yeshua) onze zwakheden begrijpt. “Want wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde.” (Heb 4:15 WV78) [46] Vandaar dat Hij in alles aan zijn broeders gelijk moest worden, om als een barmhartig en getrouw hogepriester onze belangen bij God te behartigen en de zonden van het volk uit te boeten. (Heb 2:17) [47]
Jehovah heeft zich bereid verklaard al diegenen te verontschuldigen
die hun zonden in alle oprechtheid opbiechten en proberen hun best te doen om
beter te doen.
Als leerlingen van Christus hebben wij daar onze taak in om steeds maar beter
trachten te worden.
Hoe moet de houding van een Christen zijn tegenover zijn wereld?
Jezus heeft niet gebeden dat zijn leerlingen onttrokken werden van de wereld, maar wel dat zij gespaard konden blijven van het kwaad. (Johannes 17:15)· Christus vroeg zijn Vader of Hij wilde beschermen tegen de duivel, de verleidingen en het kwaad. Christenen horen niet bij de wereld, zoals Jezus niet bij de wereld hoort. Hij bad en leerde ons bidden niet in verzoeking te komen en dat de goddeloze ons niet in zijn greep zou krijgen. (Mattheus 6:13; 1 Johannes 5:18 NWV) [48] [49]
God heeft ons bevrijd
van de autoriteit der duisternis en ons overgezet in het koninkrijk van de Zoon
van zijn liefde, door bemiddeling van wie wij onze verlossing door losprijs
hebben, de vergeving van onze zonden. (Kolossenzen 1:13-14) [50]
In de wereld van het Christendom moeten wij ons kunnen Houden aan ons woord.
Wij moeten er op toe zien dat onze Ja een ja is en nee een neen is. Als u uw
woorden kracht bijzet door een eed, klopt er iets niet. (Mt 5:37) [51]
Wij mogen niet te zweren, zoals wij ook niet mogen vloeken. [52]
En tussen al de dagen van de week moet er eentje zijn van rust en tijd voor
God. [53]
elke Christen hoort tijd uit te trekken om de Allerhoogste te prijzen en te
loven en om Jezus Christus in herinnering te nemen. Dankbaar te zijn voor het
zoenoffer, en dit te tonen door daden. Hiervoor hoeven wij ons niet af te
zonderen van deze wereld. Als kluizenaar leven hoeft niet. Als Christenen
hangen wij vast aan de wereld, maar op een andere wijze dan de gewone leken. Al
hangen wij vast aan een gemeenschap die georganiseerd wordt volgens menselijke
principes kunnen wij er op verscheidene manieren tussen uit springen.
Voor zover het
mogelijk is moeten wij als Christenen:
In vrede leven met
alle mensen. (Romeinen 12:18) [54]
De autoriteiten
respecteren en gehoorzamen. (Titus 3:1; 1Petrus 2:13-17) [55]
Onze Vrijheid ten
goede gebruiken. Als voorbeeld en aanmoediging voor anderen. (1Petrus 2:15-16) [56]
Eer en lofbetuigingen
aan anderen geven. (1 Petrus 2: 17) [57]
Aan anderen geven wat
hen toekomt. (Romeinen 13:7) [58]
Anderen niets
ontnemen. (Exodus 20:13-15) [59]
Maar anderen ook niets
slechts toe brengen of geweld aan doen. [60]
Niet zweren. (Leviticus 19:12 NWV) [61]
Steeds Gods wil boven
alles plaatsen. (Handelingen 4:19-20; 5:28-29) [62]
Aldus kunnen wij
terwijl wij het einde der tijden afwachten met positieve verlangens uitkijken
naar het Koninkrijk van God en de wereldse koninkrijken en politieke stelsels
als een voorlopige instelling zien waar wij niet buiten kunnen en er ons naar
te voegen hebben. Maar wij moeten beseffen dat God die stelsels toe laat te
bestaan en erkennen dat alle aardse koninkrijken het eigendom zijn van de
allerhoogste God en dat Hij die geeft aan wie Hij wil. (Da 4:32) [63]
Vandaag mogen wij
reeds leven met de hoge verwachting dat de dag zal komen dat alle koninkrijken,
republieken of andere beheerssystemen overgedragen zullen worden aan de enige
die rechtvaardig zal kunnen oordelen en rechtmatig zal kunnen heersen. Jezus
zal dan het verenigde koninkrijk overdragen aan zijn Vader die dan voor eeuwen
zal regeren. (Apocalyps of Openbaring 11:15) [64]
Christenen horen
rondom hen een vredelievende omgeving creëren. Zij moeten een voorbeeld zijn
van een geweldloze maatschappij die pacifistisch de komst van hun ‘Prins van de
Vrede’ afwachten
Moeten wij als Christen anders zijn dan de anderen?
Ja, hoe men het draait of keert, moet er een verschil zijn tussen een gelovige en een niet gelovige. De Christen moet zeer verschillend zijn dan de gewone burgers. Hij moet zich laten leiden door de geestelijke principes ener actief naar leven.
De Christen getuigt van een open geest die niet zo maar mensen oordeelt of over zaken een oordeel velt. [65] Eenieder kan hem of haar dan ook benaderen. [66] Al geven wij niet alles zo maar weg, steeds zullen wij vanuit een Christelijk oogpunt handelen en zullen wij bereid zijn God te bevragen hoe wij tegenover iets moeten staan. [67] en als men ons niet wil hebben zullen wij zelf de stappen ondernemen, zodat niemand zich geconfronteerd of lastig hoeft te voelen. Maar wij zullen steeds een vergevensgezinde houding aan nemen. Alsook zullen wij allen behandelen zoals wij zelf zouden willen behandeld worden. (Mattheus 7: 12) [68] Wij zelf zullen dan wel verder trekken en andere mensen weer benaderen die het christelijk leven misschien wel met ons willen delen en er voor zorgen dat ons geloof niet tot een spot wordt. [69] Wij zullen steeds op onze hoede zijn voor hen die de spot willen drijven met ons geloof. [70]
En “alles wat gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun dat ook; want dit is de Wet en de Profeten.” (Mt 7:12 LU) Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Zo moeten wij onze christelijke loopbaan, de tijd die wij hier als vreemdelingen op de aardbol doorbrengen zo goed als wij kunnen door maken. Wij moeten als het ware door de nauwe poort naar binnen. Want de brede weg, die velen volgen, en de ruime poort, waar velen door naar binnen gaan, leiden naar de ondergang. Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaartoe, en slechts weinigen weten die te vinden.
Steeds zullen wij ook op onze hoede moeten zijn voor valse profeten, die in schaapskleren op ons afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zul je hen herkennen. Wij moeten beseffen dat niet alle mensen die de naam Jezus of de titel van God gebruiken niet altijd de juisten zijn om mee op te trekken. (Mt 7:13-29) [71]
Als wij leerlingen van Jezus Christus willen zijn moeten wij ons zelf verloochenen en elkaar aanmoedigen met het besef dat Jezus werkelijk ook voor ons aan een stuk hout is gestorven voor ons. En uitkijkende naar Zijn wederkomst kunnen wij nuchter blijven. Wij moeten onszelf beschermen met het pantser van geloof en liefde en met de helm van de hoop van het heil. Want God heeft ons niet bestemd om door Hem bestraft te worden, maar om gered te worden door de beloofde Messias Jezus Christus. Jezus is voor ons gestorven om ons voor altijd met Hem te laten leven, of we bij Zijn terugkeer nu al gestorven of nog in leven zijn. Blijf elkaar dus bemoedigen en versterken; maar dat doet u al. (1Th 5:6-11) [72]
Wat zijn de voordelen Christen te zijn.
Je zou versteld staan welke de voordelen er van kunnen wezen. Ze vallen als het ware niet op, maar ook nu reeds op deze aarde zullen wij als wij ons geloof verder opbouwen reeds vruchten kunnen dragen.
Er zijn twee soorten voordelen. Er is het liefdevol aandenken aan de boodschap. Ook al heeft de oefening van het lichaam beperkte waarde, maar de voordelen van de godsvrucht zijn onbeperkt, want zij houdt beloften in zowel voor dit leven als het toekomstige. (1Ti 4:8) [73]
Ook al vraagt het inspanning zullen wij toch aan ons karakter kunnen schaven en ook verandering in onze omgeving kunnen veroorzaken. Door dat wij veranderen zullen anderen hun houding tegenover ons ook veranderen. Alsook zullen wij geen problemen ondervinden over dingen waar wij vroeger fout in gingen, want nu kunnen ze vermeden worden.
Vandaag kunnen vele Christenen zich er op verheugen dat Jezus van Nazareth voor hun zonden is gestorven aan een martelpaal. Wij hebben de hoop verkregen naar een mooie toekomst die ook verder reikt dan deze aarde en de huidige tijden.
Ook al kunnen wij het soms moeilijk hebben met de wereldse zaken is daar steeds het geloof dat ons kan ondersteunen en verlichting brengen.
Als wij vermoeid en belast zijn hebben wij Christus en onze medechristenen tot wie wij ons kunnen wenden. En opziende naar Christus vallen onze zorgen en lasten in heet niets. (Mattheus 11:28) [74]
Voor de gelovige Christenen voorziet God een wonderbaarlijke toekomst. Wij wachten, soms met een beetje ongeduld, op betere tijden, maar wij kunnen er verzekerd van zijn dat deze betere tijden zullen komen. Met vreugdevolle en vredelievende hoop kijken wij uit naar de wederkomst van Jezus Christus, die de vrede over alle naties zal brengen. (Zacharias 9:10) [75]
Wij mogen er van verzekerd zijn dat Christus Jezus in eeuwigheid koning zal zijn over het huis van Jakob en dat aan zijn koningschap nooit een einde zal komen. (Lu 1:33) [76]
Gods voornemen zal binnenkort verwezenlijkt worden.
Hoewel God onvolmaaktheid en lijden vanuit menselijk standpunt bezien lange tijd heeft toegelaten, zal hij niet toestaan dat deze slechte toestanden altijd blijven bestaan. De bijbel vertelt ons dat God een specifieke tijdsperiode voor het tolereren van deze dingen heeft vastgesteld.
„De oprechten zijn het die op de aarde zullen verblijven, en de onberispelijken zijn het die erop zullen overblijven. Wat de goddelozen betreft, zij zullen van de aarde zelf worden afgesneden; en wat de verraderlijken betreft, zij zullen ervan worden weggerukt.” (Spreuken 2:21, 22).
„De boosdoeners zelf zullen afgesneden worden, maar wie op Jehovah hopen, díe zullen de aarde bezitten. En nog maar een korte tijd en de goddeloze zal er niet meer zijn. . . De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde bezitten, en zij zullen inderdaad hun heerlijke verrukking vinden in de overvloed van vrede.” (Psalm 37:9-11) [77].
„Hoop op Jehovah en houd zijn weg, en hij zal u verhogen om de aarde in bezit te nemen. Wanneer de goddelozen worden afgesneden, zult gij het zien. Let op de onberispelijke en houd de oprechte in het oog, want de toekomst van die man zal vredig zijn. Maar de overtreders, díe zullen stellig te samen worden verdelgd; de toekomst der goddelozen zal inderdaad worden afgesneden.” (Psalm 37:34, 37, 38).
Met het oog op de geweldige toekomst die is weggelegd voor degenen die erkennen dat de almachtige Schepper het recht heeft om over ons te regeren, worden wij er dus toe aangespoord: „Moge uw hart mijn geboden in acht nemen, want lengte van dagen en jaren van leven en vrede zullen u worden toegevoegd.” Ja, eeuwig leven zal degenen worden toegevoegd die Gods wil verkiezen te doen! Daarom geeft Gods Woord ons de raad: „Vertrouw op Jehovah met heel uw hart en steun niet op uw eigen verstand. Sla in al uw wegen acht op hem, en híj zal uw paden recht maken.” Reeds nu in ons leven kunnen ij wegens God’s belofte reeds genieten van verscheidene voordelen.(Spreuken 3:1, 2, 5, 6) [78].
„Voor alles is er een vastgestelde tijd” (Prediker 3:1). Wanneer Gods bestemde tijd voor het toelaten van goddeloosheid en lijden eindigt, zal hij in de menselijke aangelegenheden ingrijpen. Hij zal een eind maken aan goddeloosheid en lijden, en zal zijn oorspronkelijke voornemen om een aarde te hebben met een volmaakte, gelukkige menselijke familie die volledige vrede en economische zekerheid geniet onder paradijselijke omstandigheden, verwezenlijken.
Goddelijke regering in het vooruitzicht.
God zal de reiniging van de aarde tot stand brengen door middel van de beste regering die de mensheid ooit zou kunnen hebben. Het is een regering die hemelse wijsheid weerspiegelt omdat ze vanuit de hemel onder Gods leiding regeert. En dat hemelse koninkrijk zal alle vormen van menselijke heerschappij van de aarde verwijderen. Mensen zullen nooit meer de keuze hebben om te trachten onafhankelijk van God te regeren.
In dit verband zegt de profetie in Daniël 2:44: „In de dagen van die koningen [hedendaagse regeringen] zal de God des hemels een koninkrijk oprichten [in de hemel] dat nooit te gronde zal worden gericht. En het koninkrijk zelf zal aan geen ander volk worden overgedragen [mensen zullen nooit meer onafhankelijk van God mogen regeren]. Het zal al deze [nu bestaande] koninkrijken verbrijzelen en er een eind aan maken, en zelf zal het tot onbepaalde tijden blijven bestaan.” — Zie ook Openbaring 19:11-21; 20:4-6.
De mensheid zal dus nooit meer corrupte regeringsvormen hebben, want wanneer God een eind aan dit stelsel heeft gemaakt, zal menselijke heerschappij onafhankelijk van hem nooit meer bestaan. En het Koninkrijk dat vanuit de hemel regeert, zal nooit corrupt worden, aangezien God de Grondlegger en de Instandhouder ervan is. Nee, deze regering zal de beste belangen van haar menselijke onderdanen dienen. Dan zal op de gehele aarde Gods wil worden gedaan, zoals ook in de hemel. Daarom kon Jezus zijn discipelen leren tot God te bidden: „Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, zo ook op aarde.” (Mattheüs 6:10).
Al diegenen die zich Christen noemen moeten zich als volwaardige leerlingen van die Grote Leermeester uit Nazareth aanbieden bij zijn Vader die wij ook als Onze Vader moeten erkennen.
Vandaag moeten wij ons reeds klaar maken voor dat beloofde Koninkrijk van God.
Wacht dus niet tot morgen en onderneem vandaag reeds uw stappen in de goede richting.
Hebt u de moed om Jezus Christus na te volgen? Wil u met ons mee in zijn voetsporen verder onderweg gaan?
Jehovah God is „de Vader, aan wie elke familie in hemel en op aarde haar naam te danken heeft”. Als „de gelukkige God” weet hij hoe hij ook zijn universele familie gelukkig kan maken (Efeziërs 3:14, 15; 1 Timótheüs 1:11). Hij voorziet ruimschoots in alle behoeften van zijn kinderen, en daarvoor dienen wij hem steeds te danken, zoals ook de psalmist dit deed:
„Weet dat Jehovah God is. Hij is het die ons heeft gemaakt en niet wijzelf. Wij zijn zijn volk en de schapen van zijn weide. . . . Brengt hem dank, zegent zijn naam. Want Jehovah is goed; zijn liefderijke goedheid duurt tot onbepaalde tijd, en zijn getrouwheid van geslacht tot geslacht.” (Psalm 100:3-5)
Wanneer wij Jehovah, de Soevereine Heer van het Universum, kennen, zal dit ons eeuwige zegeningen brengen. Jezus zei in gebed tot Jehovah:
„Dit betekent eeuwig leven, dat zij voortdurend kennis in zich opnemen van u, de enige ware God, en van hem die gij hebt uitgezonden, Jezus Christus” (Johannes 17:3).
Dit houdt echter veel meer in dan slechts kennis in het hoofd te bezitten. Wij moeten God en zijn wonderbaarlijke eigenschappen en werken leren kennen en werkelijk van harte het grootse voorrecht waarderen op grond van het zoenoffer van zijn Zoon, Jezus Christus, in een gelukkige verhouding tot hem te komen.
De dag komt snel naderbij dat Jehovah het bevel zal geven zijn oordeel aan het wereldrijk van Babylonische valse religie te voltrekken. Haar verwoesting zal zich snel afspelen, als het ware „in één uur”. Sommigen van haar vroegere ondersteuners zullen wellicht over haar wenen en uitroepen: „Wat jammer, wat jammer”, maar degenen die bedroefd waren wegens de smaad die ze op Gods naam heeft gebracht, zullen zich verheugen:
„Wees vrolijk over haar, o hemel, ook gij heiligen en gij apostelen en gij profeten, want God heeft voor u op gerechtelijke wijze straf van haar geëist!” (Openbaring 18:19, 20).
Maar dat is nog niet alles! De „grote verdrukking” zal zich voortzetten „van natie tot natie, . . . van het ene einde der aarde helemaal tot het andere einde der aarde”, en alle goddelozen wegvagen (Jeremia 25:32, 33). Die storm van vernietiging zal verrassend plotseling komen, „zoals het geschiedde in de dagen van Noach”, en zal van korte duur zijn. De „verdrukking” zal zo groot zijn dat ’indien Jehovah de dagen niet had verkort, er geen vlees gered zou worden’. Het gehele universum zal gereinigd worden van degenen die de rechtvaardigheid en rechtmatigheid van de soevereiniteit die Jehovah over zijn schepselen uitoefent, betwist hebben. Dat zal werkelijk een reden tot verheuging zijn! (Lukas 17:26, 27; Markus 13:19, 20).
Voelt u zich, nadat u nu het „goede nieuws” van Jehovah’s voornemen hebt leren kennen, namelijk dat hij alle goddeloosheid uit het universum zal verwijderen en op aarde weer reine, vredige gelukkige toestanden zal teweegbrengen, niet gedrongen hem te loven en te danken? Dat dient u beslist te doen! Wat een vreugde is het de verwezenlijking van zijn voornemen te zien en te weten dat wij erin kunnen delen!
Heeft uw leven zulk een prachtig vooruitzicht? Hebt u een vredevolle geest? Wat zou zonder Jezus uw verwachting zijn? Hij alleen kan u het eeuwige leven aanbieden. Hij alleen kan u tot verzoening met God brengen.
Hebt de moed om Jezus na te volgen. Durf zijn leerstellingen ter harte te nemen en maak de toepassing er van waar.
Alleen hoef je de zoektocht naar vrede niet te verwezenlijken. Er zijn meerder lotgenoten die ook die smalle poort door willen gaan. Durf hun en onze uitgestrekte hand te aanvaarden om samen op weg te gaan.
Wij willen u verscheidene hulpmiddelen aanbieden om Gods Woord te bestuderen zodat u dat niet alleen moet doen. Eendracht maakt macht. Samen kunnen wij elkaar versterken om in gemeenschap van de vele broeders en zusters vredevol in deze wereld vol hoop op stap te gaan naar een eeuwig Koninkrijk.
[1] 6 In dit feit verheugt GIJ U zeer, alhoewel GIJ op het ogenblik voor een korte tijd, indien het zo moet zijn, door velerlei beproevingen wordt bedroefd, 7 opdat de beproefde hoedanigheid van UW geloof — welke van veel grotere waarde is dan goud, dat vergaat ook al wordt het door vuur beproefd — een reden tot lof en heerlijkheid en eer bevonden moge worden bij de openbaring van Jezus Christus. (1 Petrus 1:6-7 NWV)
[2] 39 Welnu, wij behoren niet tot het soort dat terugdeinst, wat tot vernietiging leidt, maar tot het soort dat geloof heeft, wat tot het in het leven behouden van de ziel leidt. (Hebreeën 10:38-39 NWV)
[3] 7 Houdt op met oordelen, opdat GIJ niet wordt geoordeeld; 2 want met het oordeel waarmee GIJ oordeelt, zult GIJ geoordeeld worden; en met de maat waarmee GIJ meet, zal men U meten. 3 Waarom kijkt gij dan naar het strootje in het oog van uw broeder, maar beschouwt niet de balk in uw eigen oog? 4 Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: ’Laat mij het strootje uit uw oog halen’, wanneer er, zie! een balk in uw eigen oog is? 5 Huichelaar! Haal eerst de balk uit uw eigen oog, en dan zult gij duidelijk zien hoe gij het strootje uit het oog van uw broeder moet halen. (Mattheüs 7:1-5 NWV)
[4] 11 Want ik verlang ernaar U te zien om U enige geestelijke gave te kunnen meedelen en U daardoor standvastig te maken; 12 of liever, opdat er onder U een uitwisseling van aanmoediging mag zijn, doordat een ieder [wordt aangemoedigd] door middel van het geloof van de ander, zowel het UWE als het mijne. (Romeinen 1:11-12 NWV)
[5] hij hield het oog oplettend gericht op de beloning. 27 Door geloof verliet hij Egypte, doch zonder de toorn van de koning te vrezen, want hij bleef standvastig als zag hij de Onzichtbare. 28 Door geloof had hij het Pascha gevierd en het bespatten met het bloed, opdat de verdelger hun eerstgeborenen niet zou aanraken. (Hebreeën 11:26-28 NWV)
[6] 5 Door geloof werd Henoch overgebracht, opdat hij de dood niet zou zien, en hij was nergens te vinden, omdat God hem had overgebracht; want vóór zijn overbrenging had hij het getuigenis dat hij God welgevallig was geweest. (Hebreeën 11:5 NWV)
22 En nadat Henoch de vader van Methusalah was geworden, wandelde hij nog driehonderd jaar met de [ware] God. Intussen werd hij de vader van zonen en dochters. 23 Zo bedroegen al de dagen van Henoch driehonderd vijfenzestig jaar. 24 En Henoch bleef met de [ware] God wandelen. Toen was hij niet meer, want God nam hem weg. (Genesis 5:21-24 NWV)
[7] 11 Wees wijs, mijn zoon, en verheug mijn hart, opdat ik een antwoord kan geven aan hem die mij hoont. (Spreuken 27:11 NWV)
[8] 29 Jezus gaf hun ten antwoord: „Dit is het werk van God, dat GIJ geloof oefent in hem die Hij uitgezonden heeft.” (Johannes 6:28-29 NWV)
[9] 34 Ik geef U een nieuw gebod, dat GIJ elkaar liefhebt; net zoals ik U heb liefgehad, dat ook GIJ elkaar liefhebt. 35 Hieraan zullen allen weten dat GIJ mijn discipelen zijt, indien GIJ liefde onder elkaar hebt. (Johannes 13:34-35 NWV)
[10] “Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Dit is het werk dat God van u vraagt: te geloven in Degene, die Hij gezonden heeft.’” (Joh 6:29 WV78)
[11] “Aan allen echter die Hem wel aanvaardden, aan hen die in zijn Naam geloven, gaf Hij het vermogen om kinderen van God te worden;” (Joh 1:12 WV78)
[12] 16 Want God heeft de wereld zozeer liefgehad dat hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een ieder die geloof oefent in hem, niet vernietigd zou worden, maar eeuwig leven zou hebben. 17 Want God heeft zijn Zoon niet naar de wereld uitgezonden opdat hij de wereld zou oordelen, maar opdat de wereld door bemiddeling van hem gered zou worden. 18 Hij die geloof oefent in hem, zal niet geoordeeld worden. Hij die geen geloof oefent, is reeds geoordeeld, omdat hij geen geloof heeft geoefend in de naam van de eniggeboren Zoon van God. 19 Dit nu is de basis voor het oordeel, dat het licht in de wereld is gekomen, maar de mensen hebben de duisternis meer liefgehad dan het licht, omdat hun werken goddeloos waren. 20 Want hij die verachtelijke dingen beoefent, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet worden terechtgewezen. 21 Maar hij die doet wat waar is, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar gemaakt worden als [werken] die in overeenstemming met God zijn gedaan.” (Johannes 3:16-21 NWV)
[13] “Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben. Hieruit zullen allen kunnen opmaken, dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart.’” (Joh 13:34-35 WV78)
“Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad.” (Joh 15:12 WV78)
18 Gij moogt geen wraak nemen, noch een wrok koesteren tegen de zonen
van uw volk; en gij moet uw naaste liefhebben als uzelf. (Leviticus 19:18 NWV)
12 Dit is mijn gebod, dat GIJ elkaar liefhebt
net zoals ik U heb liefgehad. 13 Niemand heeft grotere liefde dan
deze, dat iemand afstand doet van zijn ziel ten behoeve van zijn vrienden. 14 GIJ zijt mijn vrienden indien GIJ doet wat ik U gebied. 15 Ik noem U niet langer slaven, want een
slaaf weet niet wat zijn meester doet. Maar ik heb U vrienden genoemd, want alle dingen die ik van mijn Vader heb gehoord,
heb ik U bekendgemaakt. (Johannes 15:11-15 NWV)
9 Met betrekking tot de broederlijke liefde behoeven wij U echter niet te schrijven, want GIJ zijt zelf door God onderwezen elkaar lief te hebben, 10 en GIJ doet dat ook jegens alle broeders in heel Macedonië. (1 Thessalonicenzen 4:9-10 NWV)
[14] 17 Deze dingen gebied ik U, dat GIJ elkaar liefhebt. 18 Indien de wereld U haat, GIJ weet dat ze mij eerder dan U heeft gehaat. 19 Als GIJ een deel van de wereld zoudt zijn, zou de wereld ten zeerste gesteld zijn op wat haar toebehoort. Omdat GIJ nu geen deel van de wereld zijt, maar ik U uit de wereld heb uitgekozen, daarom haat de wereld U. 20 Denkt aan het woord dat ik tot U heb gezegd: Een slaaf is niet groter dan zijn meester. Indien zij mij hebben vervolgd, zullen zij ook U vervolgen; indien zij mijn woord hebben onderhouden, zullen zij ook het UWE onderhouden. 21 Maar zij zullen U al deze dingen aandoen wegens mijn naam, omdat zij hem niet kennen die mij heeft gezonden. 22 Indien ik niet was gekomen en niet tot hen had gesproken, zouden zij geen zonde hebben; maar nu hebben zij geen verontschuldiging voor hun zonde. 23 Wie mij haat, haat ook mijn Vader. 24 Indien ik onder hen niet de werken had gedaan die niemand anders heeft gedaan, zouden zij geen zonde hebben; maar nu hebben zij zowel mij als mijn Vader èn gezien èn gehaat. 25 Maar het woord moest vervuld worden dat in hun Wet staat geschreven: ’Zij hebben mij zonder reden gehaat.’ 26 Wanneer de helper gekomen is, die ik U van de Vader zal zenden, de geest der waarheid, die van de Vader uitgaat, zal die getuigenis over mij afleggen; 27 en GIJ moet op UW beurt getuigenis afleggen, want GIJ zijt bij mij geweest sinds ik begon. (Johannes 15:17-27 NWV)
[15]
15
Betrouwbaar is het woord en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de
wereld is gekomen om zondaars te redden. (1
Timotheüs 1:15 NWV)
31 Jezus gaf hun ten
antwoord: „Zij die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij die iets
mankeren wel. 32 Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen maar zondaars tot berouw
te roepen.” (Lukas 5:31-32 NWV)
19 namelijk dat God door bemiddeling van Christus een wereld met
zichzelf verzoende, waarbij hij hun hun overtredingen niet aanrekende, en hij
heeft aan ons het woord van de verzoening toevertrouwd. (2 Korinthiërs 5:19
NWV)
2 En hij is een zoenoffer voor onze zonden, echter niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de gehele wereld. (1 Johannes 2:1-2 NWV)
[16]
26 En hij heeft uit één [mens] elke natie van
mensen gemaakt om op de gehele oppervlakte der aarde te wonen, en hij heeft de
bestemde tijden en de vastgestelde grenzen van de woonplaats der [mensen]
verordend, 27 opdat zij God zouden zoeken, of zij wellicht naar hem tasten en
hem werkelijk vinden zouden, ofschoon hij eigenlijk niet ver is van een ieder
van ons. 28 Want door hem hebben wij leven en bewegen wij ons en zijn wij,
zoals ook sommigen van de dichters onder U hebben gezegd:
’Want wij zijn ook zijn nageslacht.’
29 Aangezien wij daarom Gods nageslacht zijn, moeten wij niet menen dat
het Goddelijk Wezen op goud of zilver of steen gelijkt, op iets wat door
menselijke kunstvaardigheid en menselijk vernuft is gebeeldhouwd. 30 God heeft
weliswaar de tijden van zulk een onwetendheid voorbijgezien, maar zegt de
mensen thans dat zij allen overal berouw moeten hebben. 31 Want hij heeft een
dag vastgesteld waarop hij voornemens is de bewoonde aarde in rechtvaardigheid
te oordelen door een man die hij heeft aangesteld, en hij heeft alle mensen een
waarborg verschaft doordat hij hem uit de doden heeft opgewekt.” (Handelingen 17:26-31 NWV)
47 en op basis van zijn naam zou er in alle natiën berouw tot vergeving
van zonden gepredikt worden — te beginnen vanuit Jeruzalem 48 moet GIJ getuigen van deze dingen zijn. (Lukas 24:47-48 NWV)
31 Hem heeft God als Voornaamste Gevolmachtigde en Redder tot zijn
rechterhand verhoogd, om Israël [de gelegenheid tot] berouw en vergeving van
zonden te geven. (Handelingen 5:31 NWV)
38 Laat het U daarom bekend zijn, broeders, dat door bemiddeling
van Hem vergeving van zonden aan U wordt verkondigd;
39 en dat van al de dingen waarvan GIJ door middel van
de wet van Mozes niet onschuldig verklaard kondt worden, een ieder die gelooft,
onschuldig wordt verklaard door bemiddeling van Hem. (Handelingen 13:38-39 NWV)
25 Jezus zei tot haar: „Ik ben de opstanding en het leven. Wie geloof
oefent in mij, zal, ook al sterft hij, tot leven komen; 26 en een ieder die
leeft en geloof oefent in mij, zal stellig nooit sterven. Gelooft gij dit?”
(Johannes 11:25-26 NWV)
24 Maar God heeft hem opgewekt door de smarten van de dood te ontbinden,
want het was niet mogelijk dat hij daardoor blijvend werd vastgehouden.
(Handelingen 2:23-24 NWV)
32 Daarom dan maken wij U het goede nieuws bekend omtrent de belofte die aan de voorvaders is gedaan, 33 dat God ze aan ons, hun kinderen, volledig heeft vervuld doordat hij Jezus heeft opgewekt, zoals ook in de tweede psalm staat geschreven: ’Gij zijt mijn zoon, heden ben ik uw Vader geworden.’ (Handelingen 13:32-33 NWV)
[17]
…Deze dingen zegt ’de Eerste en de Laatste’,
die een dode werd en [weer] tot leven gekomen is: 9 ’Ik ken uw verdrukking en
armoede — doch gij zijt rijk — en de lastering van de zijde van hen die zeggen
dat zij joden zijn en het evenwel niet zijn, maar die een synagoge van Satan
zijn. 10 Wees niet bevreesd voor de dingen die gij gaat lijden. Zie! De Duivel
zal voortgaan sommigen van U in de gevangenis te werpen,
opdat GIJ volledig op de proef wordt gesteld en opdat GIJ tien dagen verdrukking hebt. Bewijs dat gij getrouw zijt, zelfs tot de
dood, en ik zal u de kroon des levens geven. 11 Wie een oor heeft, hij hore wat
de geest tot de gemeenten zegt: Wie overwint, zal geenszins schade lijden van
de tweede dood.’ (Openbaring 2:8-11 NWV)
6 En hij zal een ieder vergelden naar zijn werken: 7 eeuwig leven aan
hen die door volharding in werk dat goed is, heerlijkheid en eer en
onverderfelijkheid zoeken; 8 hun echter die twistziek zijn en die ongehoorzaam
aan de waarheid maar gehoorzaam aan onrechtvaardigheid zijn, wacht gramschap en
toorn, 9 verdrukking en benauwdheid, over de ziel van ieder mens die het
schadelijke doet, eerst van de jood en ook van de Griek; 10 maar heerlijkheid
en eer en vrede voor een ieder die het goede doet, eerst voor de jood en ook
voor de Griek. (Romeinen 2:5-10 NWV)
12 Gelukkig is de man die beproeving blijft verduren, want nadat hij is
goedgekeurd, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Jehovah beloofd heeft
aan hen die hem blijven liefhebben. (Jakobus 1:12 NWV)
30 Daarom zei de engel tot haar: „Vrees niet, Maria, want gij hebt gunst
gevonden bij God; 31 en zie! gij zult in uw schoot ontvangen en een zoon baren,
en gij moet hem de naam Jezus geven. 32 Deze zal groot zijn en de Zoon van de
Allerhoogste worden genoemd; en Jehovah God zal hem de troon van zijn vader
David geven, 33 en hij zal voor eeuwig als koning over het huis van Jakob
regeren en aan zijn koninkrijk zal geen einde zijn.” (Lukas 1:30-33 NWV)
44 En in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk
oprichten dat nooit te gronde zal worden gericht. En het koninkrijk zelf zal
aan geen ander volk worden overgedragen. Het zal al deze koninkrijken verbrijzelen
en er een eind aan maken, en zelf zal het tot onbepaalde tijden blijven
bestaan, (Daniël 2:44 NWV)
14 En hem werd heerschappij en waardigheid en [een] koninkrijk gegeven, opdat de volken, nationale groepen en talen alle hèm zouden dienen. Zijn heerschappij is een heerschappij van onbepaalde duur, die niet zal voorbijgaan, en zijn koninkrijk een dat niet te gronde gericht zal worden. (Daniël 7:13-14 NWV)
8 Maar met betrekking tot de Zoon: „God is uw troon in alle eeuwigheid, en [de] scepter van uw koninkrijk is de scepter van recht. (Hebreeën 1:7-8 NWV)
[18] 35 Ik heb U in alle dingen getoond dat GIJ door aldus te arbeiden, de zwakken moet bijstaan en de woorden van de Heer Jezus in gedachte moet houden, toen hijzelf zei: ’Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen.’ (Handelingen 20:34-35 NWV)
[19] 13 Laten wij dan tot hem gaan buiten de legerplaats en de smaad dragen die hij heeft gedragen, 14 want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken ernstig de toekomstige. 15 Laten wij door bemiddeling van hem God altijd een slachtoffer van lof brengen, namelijk de vrucht der lippen die zijn naam in het openbaar bekendmaken. 16 Vergeet bovendien niet goed te doen en anderen met U te laten delen, want zulke slachtoffers zijn God welgevallig. (Hebreeën 13:12-16 NWV)
[20] “Laten wij onwrikbaar vasthouden aan de belijdenis van onze hoop, want Hij die de beloften deed is betrouwbaar.” (Heb 10:23 WV78)
[21] “Na de mishandelingen en beledigingen die wij, zoals ge weet, in Filippi hadden moeten verduren, hebben wij met de hulp van onze God de moed gevonden om ondanks heftige tegenstand zijn boodschap bij u openlijk te verkondigen.” (1Th 2:2 WV78)
[22]
16 En het geschiedde toen wij onderweg waren
naar de gebedsplaats, dat een zeker dienstmeisje met een geest, een waarzeggende
demon, ons tegemoet kwam. Zij verschafte haar meesters gewoonlijk groot gewin
door de kunst van het voorspellen te beoefenen. 17 Dit [meisje] bleef Paulus en
ons volgen, terwijl zij de volgende woorden riep: „Deze mensen zijn slaven van
de Allerhoogste God, die ulieden de weg der redding verkondigen.” 18 Dit bleef
zij vele dagen achtereen doen. Ten slotte begon het Paulus te vervelen, en hij
keerde zich om en zei tot de geest: „Ik beveel u in de naam van Jezus Christus
van haar uit te gaan.” En in datzelfde uur ging hij uit.
19 Toen nu haar meesters zagen dat hun hoop op gewin was verdwenen, grepen zij Paulus en Silas en sleepten hen naar de marktplaats, naar de regeerders, 20 en zij brachten hen voor de burgerlijke magistraten en zeiden: „Deze mensen brengen onze stad geheel in rep en roer, daar zij joden zijn, 21 en zij verkondigen gebruiken die wij niet mogen aanvaarden of beoefenen, aangezien wij Romeinen zijn.” 22 En de schare stond gezamenlijk tegen hen op; en na hun de bovenklederen van het lijf te hebben gescheurd, gaven de burgerlijke magistraten bevel hun stokslagen te geven. 23 Na hun vele slagen te hebben toegediend, wierpen zij hen in de gevangenis en gaven de gevangenbewaarder bevel hen zorgvuldig te bewaken. 24 Omdat hij zulk een bevel had gekregen, wierp hij hen in de binnenste gevangenis en sloot hun voeten in het blok. (Handelingen 16:16-24 NWV)
[23]
20 Maar GIJ, geliefden, moet UZELF opbouwen op UW
allerheiligst geloof en bidden met heilige geest, 21 en UZELF [aldus] bewaren in Gods liefde, in afwachting van de
barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus, met eeuwig leven in het
vooruitzicht. (Judas 19-21 NWV)
32 En nu draag ik U op aan God en aan het woord van zijn onverdiende
goedheid, welk [woord] U kan opbouwen en U de erfenis kan geven
onder alle geheiligden. (Handelingen 20:31-32 NWV)
10 Overeenkomstig de onverdiende goedheid van God die mij gegeven werd, heb ik als een wijs bestuurder van werken een fundament gelegd, maar iemand anders bouwt erop. (1 Korinthiërs 3:10 NWV)
[24] “in Hem geworteld, op Hem gebouwd, steunend op het geloof dat men u geleerd heeft, terwijl uw hart overvloeit van dankbaarheid.” (Col 2:7 WV78)
“Blijft daarom elkander bemoedigen en steunen, zoals gij trouwens al doet.” (1Th 5:11 WV78)
[25] “Maar wat God tevoren had aangekondigd bij monde van alle profeten, dat zijn Messias zou sterven, heeft Hij zo in vervulling doen gaan. Bekeert u dus en hebt berouw, opdat uw zonden worden uitgewist” (Hnd 3:18-19 WV78)
[26]
4 Verheugt U altijd in [de]
Heer. Nogmaals zal ik zeggen: Verheugt U! 5 Laat UW redelijkheid aan alle mensen bekend worden. De Heer is nabij. 6 Weest
over niets bezorgd, maar laat in alles door gebed en smeking te zamen met
dankzegging UW smeekbeden bij God bekend worden; 7 en de vrede van
God, die alle gedachte te boven gaat, zal UW hart en UW geestelijke vermogens behoeden door bemiddeling van Christus Jezus. (Filippenzen 4:4-7 NWV)
[27] (Gelieve hieromtrent onze folders en artikels te lezen)
[28] “Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.” (Joh 3:16 WV78)
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie luistert naar mijn woord en gelooft in Hem die Mij zond, heeft eeuwig leven en is aan geen oordeel onderworpen, hij is immers reeds uit die dood naar het leven overgegaan.” (Joh 5:24 WV78)
[29] “de Heer is wie Hem aanroept nabij, elk die Hem aanroept in vertrouwen.” (Ps 145:18 WV78)
“En brengt in praktijk wat u geleerd is en overgeleverd, en wat gij van mij hebt gehoord en gezien. Dan zal de God van vrede met u zijn.” (Flp 4:9 WV78)
“Maar thans heeft God u met zich verzoend in Christus’ sterfelijk lichaam, door zijn dood, want Hij wil dat gij als heilige mensen voor Hem zult verschijnen, zonder smet of blaam. Maar dan moet gij ook vast en onwrikbaar blijven in het geloof en u niet laten afbrengen van de hoop die u in het evangelie is aangezegd. Dit is de boodschap die aan alle schepselen onder de hemel verkondigd is en waarvan ik, Paulus, de dienaar ben geworden.” (Col 1:22-23 WV78)
[30] “En beliegt elkaar niet meer. Legt de oude mens met zijn gedragingen af, bekleedt u met de nieuwe mens, die op weg is naar het ware inzicht, zich vernieuwend naar het beeld van zijn schepper.” (Col 3:9-10 WV78)
[31] 25 Nu GIJ daarom onwaarheid hebt weggedaan, spreekt waarheid, een ieder van U met zijn naaste, want wij zijn leden die elkaar toebehoren. 26 Weest toornig en zondigt toch niet; laat de zon niet ondergaan terwijl GIJ in een geërgerde stemming verkeert, 27 en staat ook de Duivel geen plaats toe. 28 Wie steelt, stele niet meer, maar laat hij liever hard werken, door met zijn handen goed werk te doen, opdat hij iets aan een behoeftige kan uitdelen. 29 Laat geen verdorven woord uit UW mond voortkomen, maar elk woord dat goed is tot opbouw waar het nodig is, opdat daardoor iets meegedeeld mag worden wat gunstig is voor de hoorders. 30 Bedroeft ook Gods heilige geest niet, waarmee GIJ verzegeld zijt voor een dag van verlossing door losprijs.
31 Alle kwaadaardige bitterheid en toorn en gramschap en geschreeuw en schimpend gepraat worde uit UW midden weggenomen, evenals alle slechtheid. 32 Maar wordt vriendelijk jegens elkaar, teder mededogend, elkaar vrijelijk vergevend, zoals ook God door Christus U vrijelijk vergeven heeft. (Efeziërs 4:25-32 NWV)
[32] “Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid, een iegelijk met zijn naaste; want wij zijn elkanders leden. Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid; En geeft den duivel geen plaats. Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te delen dengene, die nood heeft. Geen vuile rede ga uit uw mond, maar zo er enige goede [rede] is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien, die dezelve horen. En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing. Alle bitterheid, en toornigheid, en gramschap, en geroep, en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid; Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft.” (Efe 4:25-32 STV)
[33] 2 aan de heiligen en getrouwe broeders in eendracht met Christus te Kolosse:
Mogen onverdiende goedheid en vrede U ten deel vallen van
God, onze Vader.
3 Wij danken God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, altijd wanneer
wij voor U bidden, 4 aangezien wij hebben gehoord van UW geloof in verband met Christus Jezus en de liefde die GIJ hebt voor alle heiligen 5 wegens de hoop die voor U in de hemelen is weggelegd. GIJ hebt reeds eerder
over deze [hoop] gehoord door de prediking van de waarheid van dat goede
nieuws, 6 hetwelk tot U is doorgedrongen, zoals het in de gehele wereld
vrucht draagt en toeneemt, evenals [dit] ook onder U [het geval is], vanaf de dag dat GIJ de onverdiende
goedheid van God in waarheid hebt gehoord en nauwkeurig hebt leren kennen.
(Kolossenzen 1:1-6 NWV)
[34] 12 Bekleedt U dan als Gods uitverkorenen, heilig en bemind, met de tedere genegenheden van mededogen, goedheid, ootmoedigheid des geestes, zachtaardigheid en lankmoedigheid. 13 Blijft elkaar verdragen en elkaar vrijelijk vergeven als de een tegen de ander een reden tot klagen heeft. Zoals Jehovah U vrijelijk vergeven heeft, doet ook GIJ evenzo. 14 [Bekleedt U] bij al deze dingen echter [met] liefde, want ze is een volmaakte band van eenheid. (Kolossenzen 3:12-14 NWV)
[35] “Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.” (2Co 5:20 STV)
[36] “Zeg tot hen: [Zo] [waarachtig] [als] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin [heb] [Ik] [lust], dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels?” (Eze 33:11 STV)
[37]
17 Zo is ook geloof, indien het geen werken
heeft, op zichzelf dood. (Jakobus 2:17
NWV) “Gij dwaas, wilt ge het bewijs dat het geloof zonder de daad waardeloos
is?” (Jak 2:20 WV78)
“Zoals het lichaam dood is zonder de ziel, zo is het geloof dood zonder de daad.” (Jak 2:26 WV78)
[38] 6 maar Christus [was getrouw] als Zoon over Diens huis. Diens huis zijn wij, indien wij onze vrijmoedigheid van spreken en ons roemen over de hoop tot het einde toe stevig vasthouden. (Hebreeën 3:5-6 NWV)
[39]
16 En
welke overeenkomst heeft Gods tempel met afgoden? Want wij zijn een tempel van
een levende God, zoals God heeft gezegd: „Ik zal onder hen verblijven en onder
[hen] wandelen, en ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.” (2 Korinthiërs 6:15-16 NWV)
19 GIJ zijt daarom stellig geen vreemden en inwonende vreemdelingen meer, maar medeburgers van de heiligen en leden van het huisgezin van God, 20 en GIJ zijt opgebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de fundament-hoeksteen is. (Efeziërs 2:19-20 NWV)
[40]
3 1.Indien GIJ echter met de
Christus werdt opgewekt, blijft dan de dingen zoeken die boven zijn, waar de
Christus gezeten is aan de rechterhand van God. (Kolossenzen 3:1 NWV)
15 Laat ook de vrede van de Christus in UW hart heersen, want daartoe werdt GIJ feitelijk in één lichaam geroepen. En betoont U dankbaar. 16 Het woord van de Christus wone rijkelijk in U
